Er is Hulp
bij ongewenste zwangerschap en na abortus
Mail ons Bel ons

“Ik begon een band te
krijgen met mijn kindje”

 

Ella

 

Toen ik ontdekte dat ik zwanger was, schrok ik enorm en raakte helemaal in paniek. Omdat ik bij mijn schoonfamilie inwoonde, heb ik het hun direct verteld. Achteraf gezien is dat een heel grote fout geweest. Ik had het beter tussen mij en mijn vriend kunnen houden. De familie van mijn vriend is heel anders dan ik. Hun manier van opvoeden is niet zoals ik het gewend ben. Zij kijken ook anders tegen abortus aan. Mijn moeder, die christen is, wilde graag dat ik het kindje zou houden.

 

Na een tijdje begon ik mijn zwangerschap eigenlijk wel leuk te vinden. Ik had al last van zwangerschapsmisselijkheid, maar ondanks dat, begon ik een band te krijgen met mijn kindje. Om zeker van onze beslissing te zijn, besloten we naar de dokter te gaan. Mijn dokter vroeg hoe ik er tegenover stond. Ik zei dat ik het wel leuk begon te vinden. Ze vroeg ook hoe mijn vriend erover dacht. Hij antwoordde haar dat hij het minder vond en er nog niet klaar voor was. Aan het eind van het gesprek besloot de dokter mij niet door te verwijzen naar het ziekenhuis voor een abortus. Ik had dus nog wat bedenktijd.

 

Mijn moeder wilde me in die tijd niet spreken, omdat ze bang was dat ze me zou beïnvloeden. Maar bij mijn schoonfamilie wisten ze allemaal precies wat het beste voor mij was: ik moest het laten weghalen – het zou echt geen pijn doen. We hadden immers nog geen huis, het kwam hun niet uit, enzovoort. Ook mijn vriend zette mij onder druk. Wij konden nu al nooit eens iets leuks doen, zei hij, laat staan met een baby erbij. Niemand begreep dat ik ondertussen al een band met het kindje had. Ik lette goed op wat ik at en dronk, ik zorgde ervoor dat ik genoeg vitaminen binnenkreeg. (Nu ik dit schrijf, komen alle frustraties weer boven. Het verdriet zit nog altijd in mijn hoofd en hart.)

 

We besloten naar de Rutgerstichting te gaan voor advies. Ze zeiden dat ze ons wel konden helpen. Nou, hun‘hulp’ bestond eruit dat ze vertelden dat het een klompje cellen was en dat het nog niets betekende. Dus je kon het best laten weghalen. Omdat mijn vriend zo aandrong, besloot ik een afspraak voor een abortus te maken met het ziekenhuis. Toen ik bij de dokter was, ging hij eerst onderzoeken hoever ik al was in mijn zwangerschap. Hij behandelde me alsof ik niemand was, een hoopje lucht. Hij keek me nauwelijks aan en sprak niet normaal met me.

 

De dag dat het zou gebeuren, moest ik vroeg in de ochtend komen. Ik had van een vriendin gehoord dat je om een foto van de echo kon vragen, dan had je tenminste nog iets en kon je het beter verwerken. Maar dat mocht niet, ze wilden er geen moeite voor doen. Niemand heeft mij iets uitgelegd over de procedure. Ze hebben mij helemaal niet gevraagd of ik het echt wel wilde laten weghalen. Nee, ik kwam en was gewoon een nummer. Toen de abortus verricht was, werd ik huilend wakker, met het besef van wat ik had gedaan. Ik was niet meer ochtendmisselijk en dat miste ik echt heel erg. Ik voelde mezelf een moordenaar en doe dat nog steeds. Het liefst wilde ik in mijn auto stappen en tegen een muur rijden, want dan zou ik rust hebben. Mijn hele leven zal ik deze supergrote last met me meedragen. Daar weten mannen nauwelijks iets van af. Ze begrijpen dit grote verdriet niet, omdat zij het kindje niet gedragen hebben. De abortus speelt nog altijd op, wanneer mijn vriend en ik ruzie hebben. Omdat hìj weer iets niet kon, wilde hij de abortus. Misschien is het niet eerlijk dat ik hem de schuld geef van de abortus, maar ik stond er echt niet honderd procent achter. Dat had toch iedereen kunnen zien, maar niemand wilde het zien!

 

Ik heb gefaald. Ik heb niet naar mijn eigen gevoelens geluisterd, maar naar die van anderen. Ik heb er nog altijd spijt van. 25 april 2001 is voor mij de zwartste dag uit mijn leven. Die dag wil ik nooit weer meemaken. Mijn moeder is christen en heeft vaak voor mij gebeden. Ik ben een kind van God en ik weet dat Hij, mijn Vader, mij vergeven heeft. Alleen ik zal mijzelf nooit vergeven wat ik gedaan heb. Ik heb iemand van het leven beroofd, ik ben dus een moordenaar.

 

Een paar maanden na de abortus, keek ik eens naar de televisie. Er was een documentaire over de ontwikkeling van het kind in de baarmoeder; je zag hoe een kindje er in bepaalde stadia uitzag. Toen wist ik dat die mevrouw van de Rutger stichting tegen mij en mijn vriend gelogen had. Het was een mens, het leefde. Het had al tien tenen en tien vingers, benen en armen, en het geslacht was ook al bekend. Dat heb ik laten weghalen, een mens. Dit is mijn advies voor vrouwen die voor zo’n moeilijke beslissing staan: “Luister naar je eigen hart. Dat is het belangrijkste. Jij bent degene die het je hele leven moet meedragen. Het zal zwaar worden.”

 

 

Dit artikel is ook verschenen in Leef Magazine, 35e jaargang, nr. 4, juli 2019

Blijf op de hoogte!